Hans Melchers Fonds
Home | Bestuur | STATUTEN | Contact
Recent | Rechtspraak | Alle uitspraken | EHRM | Raad v/d Journalistiek | Journalistieke Codes

Print uitspraak
belediging, vrijheid van meningsuiting, hoor en wederhoor, interview, publicatieverbod
instantie:
Hof Den Bosch
datum:
18-02-1999
partijen:
Uitgeversmaatschappij De Limburger BV, G.H. Vogelaar, J.H.J.P.M. Dohmen/ burgemeester A.G.J. van Goethem
medium:
Dagblad De Limburger
vindplaats
In print: Mediaforum 1999-3, nr. 17; tevens in print: NJ 2000, 369
annotator:
-
samenvatting:
In dit kort geding is aan de orde of een voorgenomen krantenpublicatie van De Limburger over het declaratiegedrag van burgemeester van Goethem onrechtmatig moet worden geacht jegens de burgemeester en of daarmee een voorwaardelijk publicatieverbod, zoals in eerste aanleg door de president van de rechtbank Maastricht is toegewezen, gerechtvaardigd is en hoe een dergelijk publicatieverbod zich verhoudt ten opzichte van de vrijheid van meningsuiting zoals onder meer neergelegd in artikel 10 EVRM. Tevens wordt ingegaan op het belang van kennis van de inhoud van de (voorgenomen) uiting voor de door artikel 10 EVRM vereiste belangenafweging tussen de vrijheid van meningsuiting, en de rechten en vrijheden van anderen, in dit geval die van de burgemeester. Verder gaat het hof in op de inhoud van het recht van wederhoor, de vereisten voor het bestaan van een dergelijk recht en de vraag in welke vorm dergelijk wederhoor deugdelijk kan zijn.
 
uitspraak
Hof Den Bosch 18 februari 1999

Arrest in de zaak van:


1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Uitgeversmaatschappij
De Limburger B.V., gevestigd en kantoorhoudende te
Maastricht
2 George Hendrik Vogelaar,wonende te Maastricht,
3 Joseph Hubert Jean Pierre Marie Dohmen, wonende te Heerlen,
appellanten, procureur: mr J.L. Brens,
en
de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Nederlandse Vereniging
van Journalisten, gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gevoegde partij aan de zijde van appellanten, procureur: mr J.L. Brens,

tegen

Albertus Gerardus Joseph van Goethem, wonende te Beek,
geïntimeerde, procureur: mr J.H.M. Erkens,
als vervolg op het incidenteel arrest in deze zaak van 25 juni 1998.

(...)
5 Het verdere verloop van het geding

Bij incidenteel arrest van 25 juni 1998 is de NVJ als gevoegde partij aan
de zijde van De Limburger toegelaten, en is de zaak verwezen naar de rol
voor voortprocederen.
De Limburger en de NVJ hebben bij memorie van grieven zes grieven
tegen het vonnis van de president van de rechtbank te Maastricht van 27
januari 1998 aangevoerd, met conclusie dat het hof dit vonnis zal
vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van Van Goethem
alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Van Goethem in de proceskosten
in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad.
Van Goethem heeft geen memorie van antwoord genomen.
Aan de procureur van Van Goethem is ter rolle van 17 november 1998
akte verleend van zijn verklaring dat hij niet in staat is gesteld om verder
te procederen.
Daarna hebben De Limburger en de NVJ de stukken aan het hof
overgelegd en uitspraak gevraagd.

6 De gronden van het hoger beroep

De grieven van De Limburger en de NVJ luiden als volgt.
Grief I
Ten onrechte heeft de president overwogen dat de in het maatschappelijk
verkeer te betrachten zorgvuldigheid in geval van een publicatie waarin
sprake is van een ernstige beschuldiging met strafrechtelijke implicaties,
zoals in casu, met zich meebrengt dat de beschuldigde de gelegenheid
dient te krijgen zich over de juistheid van die beschuldiging uit te laten
en dat die uitlating, desnodig in essentie, te zelfder tijd wordt gepubliceerd.
Ten onrechte heeft de president in het dictum bepaald dat De Limburger
pas over kon gaan tot publicatie met als onderwerp de declaratieperikelen
in de Gemeente Beek, meer in het bijzonder van van Goethem, nadat aan
Van Goethem inzage was verstrekt en hem vervolgens gedurende een
tijdsbestek van 24 uur de gelegenheid is geboden om schriftelijk commentaar
ter publicatie te geven.
Grief II
Ten onrechte heeft de president overwogen dat er in onvoldoende mate
invulling aan het begrip van wederhoor is gegeven door Van Goethem
een zogenaamd confronterend interview af te nemen.
Grief III
Ten onrechte heeft de president overwogen dat een confronterend interview
voorshands niet als een ‘gewone’ vorm van wederhoor kan worden
aangemerkt, doch veeleer de kenmerken van een verhoor vertoont en dat
Van Goethem, door niet (meer) aan een dergelijk interview mee te
werken, niet het recht heeft verspeeld om op enigerlei wijze zijn visie
kenbaar te maken.
Grief IV
Ten onrechte heeft de president overwogen dat vast staat dat in het te
publiceren artikel ernstige beschuldigingen aan het adres van Van Goethem
worden geuit en dat Van Goethem dientengevolge ernstig kon worden
beschadigd, hetgeen aan geen enkele twijfel onderhevig zou zijn.
Grief V
Ten onrechte heeft de president overwogen dat een verbod van publikatie
op zijn plaats is, nu De Limburger niet bereid was –kort gezegd– een
weerwoord te plaatsen.
Grief VI
Ten onrechte heeft de president De Limburger in de kosten van de
procedure van de zaak tegen Van Goethem veroordeeld.

7 De beoordeling

7.1 In r.o. 2 van het vonnis, waarvan beroep, heeft de president de tussen
partijen vaststaande feiten weergegeven.
Nu daartegen geen grief is gericht, gaat ook het hof van die feiten uit. Met
betrekking tot de door De Limburger en de NVJ geplaatste kanttekening
omtrent hetgeen blijkt uit de correspondentie tussen de raadslieden van
partijen stelt het hof vast dat de brief van 19 januari 1998 van de raadsman
van De Limburger aan de raadsman van Van Goethem als volgt luidt,
voor zover hier van belang: ‘Bij deze bevestig ik ons telefonisch onderhoud
van zojuist waarbij het volgende is afgesproken. De Heer J.
Dohmen zal, vergezeld van iemand van de hoofdredactie, op woensdagmiddag
om 14.30 uur ten Gemeentehuize te Beek een interview hebben
met de Burgemeester. Onderwerp van het gesprek is het, kort gezegd,
declaratiegedrag van de Burgemeester. Daarmee wordt tegelijkertijd
recht gedaan aan het journalistiek beginsel van “hoor en wederhoor”.’

7.2 In dit kort geding is, kort samengevat, aan de orde de vraag of de
voorgenomen krantenpublicatie van De Limburger over het declaratiegedrag
van Van Goethem als burgemeester van Beek, onrechtmatig
jegens Van Goethem geacht moet worden en of dat een voorwaardelijk
publikatieverbod zoals dat door de president is opgelegd, rechtvaardigt.

7.3 Indien een meningsuiting als een kranteartikel onrechtmatig wordt
geacht, kan de rechter in beginsel sancties opleggen, waaronder onder
omstandigheden ook een (al dan niet geclausuleerd) publikatieverbod,
waarbij echter de vraag rijst hoe die sancties zich verhouden tot de
vrijheid van meningsuiting, zoals die onder meer is gewaarborgd in art.
10 EVRM.
Ingevolge art. 10 lid 2 EVRM zijn beperkingen op de vrijheid van
meningsuiting slechts toegestaan, indien deze bij de wet zijn voorzien en
noodzakelijk zijn in een democratische samenleving ter bescherming van
de in art. 10 lid 2 EVRM genoemde belangen, waaronder de bescherming
van rechten en vrijheden van anderen.

7.4 In het onderhavige geval vormt het gevorderde verbod tot publikatie,
alvorens aan Van Goethem inzage in het concept-kranteartikel is verstrekt
en hem gedurende 48 uur de gelegenheid is gegeven daarop te
reageren, subsidiair alvorens hem het recht op wederhoor is gegeven, een
beperking van de uitingsvrijheid, die echter is voorzien bij wet (art. 6:162
BW) en die een door art. 10 lid 2 EVRM beschermd belang dient, nl. strekt
ter bescherming van de eer en goede naam van Van Goethem.
Vervolgens rijst de vraag, of toewijzing van de vordering in dit geval
noodzakelijk is ter bescherming van de rechten van Van Goethem. Het
antwoord op die vraag dient te worden gevonden door een afweging die
met inachtneming van alle bijzonderheden van het geval ertoe strekt na
te gaan, welk van belde tegenover elkaar staande fundamentele rechten
in dit geval zwaarder weegt.

7.5 De onderhavige zaak kenmerkt zich daardoor, dat er –ten tijde van de
uitspraak van de president in kort geding– nog geen sprake was van een
reeds gepubliceerd artikel, dat in strijd werd geacht met de rechten van
Van Goethem, maar dat het nog slechts ging om een voorgenomen
artikel, waarvan het onderwerp door de betrokken journalist (appellant
sub 3) aan Van Goethem bekend was gemaakt en dat Van Goethem ook
reeds bekend was doordat De Limburger door middel van een voorlopige
voorziening ex art. 8:81 AWB van de Gemeente Beek de inzage had
afgedwongen van gegevens, die het declaratiegedrag van Van Goethem
betroffen.

7.6 Het hof stelt voor de goede orde vast, dat zijn beoordeling zich dus niet
uitstrekt over het inmiddels, op 5 februari 1998, gepubliceerde artikel,
maar dat die beoordeling zich beperkt tot de situatie zoals die was ten tijde
van de hier bestreden uitspraak van de president en tot de vraag, of naar
de situatie toen de uitspraak van de president juist was.

7.7 Vast staat dat bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg geen
concept-artikel is overgelegd en dat noch Van Goethem, noch de president
dit concept-artikel –voor zover dat toen al bestond, mogelijk was er
toen nog geen stuk in leesbare vorm voorhanden– kende. Over de inhoud
van het artikel was slechts bekend hetgeen De Limburger daarover in haar
pleitnota in eerste aanleg heeft doen opmerken.
Dat acht het hof, voorlopig oordelend, echter onvoldoende om op die
grond de voorgenomen publikatie als onrechtmatig (onder voorwaarden)
te verbieden. De rechter moet immers, om een juiste belangenafweging
te kunnen maken, nauwkeurig kunnen nagaan wat hij precies verbiedt.
Het al dan niet onrechtmatige karakter van een publikatie wordt bovendien
niet alleen gevormd door het onderwerp en de inhoud daarvan, maar
evenzeer door aspecten als de toonzetting van het artikel, de wijze van
opmaak, en de plaats die het in de krant inneemt, welke aspecten in dit
geval niet konden worden meegewogen.

7.8 Blijkens de inleidende dagvaarding stelt Van Goethem zich in het
bijzonder op het standpunt, dat hij recht heeft op wederhoor en dat aan dat
recht geen juiste inhoud is gegeven in het confronterend interview, dat de
betrokken journalist Van Goethem op 21 januari 1998 heeft willen
afnemen, maar dat op initiatief van Van Goethem na korte tijd is
afgebroken.
Naar zijn mening handelt De Limburger onrechtmatig door toch te
publiceren, tenzij hem vooraf inzage en enige tijd voor commentaar, dan
wel op de naar zijn mening juiste wijze recht op wederhoor wordt
gegeven.
Het hof is, voorshands, van oordeel dat de stelling dat indien een
publikatie over iemand wordt voorbereid waarin beschuldigingen worden
geuit, voor de betrokkene altijd en onder alle omstandigheden een
recht op wederhoor bestaat, geen steun vindt in het recht.
In dit geval had De Limburger er overigens zelf reeds voor gekozen om
voordat zij tot publikatie overging, Van Goethem over haar bevindingen
aan het woord te laten.
Partijen verschillen er echter over van mening, of de vorm waarin dit
wederhoor zou plaatsvinden, deugdelijk was.
In beginsel is de keuze van die vorm voorbehouden aan de journalist –
met, zo nodig, toetsing achteraf door de rechter– en is de door Van
Goethem gewenste vorm, inzage vooraf en enige tijd gelegenheid tot
commentaar, zeker niet steeds de enig juiste.
Naar het voorlopig oordeel van het hof kan niet op voorhand gezegd
worden dat de wijze van interviewen die de journalist zich hier had
voorgenomen, namelijk het achtereenvolgens stellen van een aantal
feitelijke vragen aan Van Goethem die ogenschijnlijk geen verband met
elkaar hebben, om op die manier het onderwerp ‘declaratiegedrag’ in zijn
geheel de revue te laten passeren, niet geschikt is om invulling te geven
aan het wederhoor van de zijde van Van Goethem. Of het wederhoor ook
daadwerkelijk uit de verf zou zijn gekomen, kan niet worden beoordeeld
nu het interview van de zijde van Van Goethem is afgebroken toen er nog
pas enkele vragen waren gesteld.
Onder die omstandigheden kan Van Goethem zich er echter niet op
beroepen dat er geen inhoud is gegeven aan een wederhoor, waarop
bovendien geen onvoorwaardelijk recht bestaat.
Dat De Limburger vervolgens haar publikatie heeft willen doorzetten op
basis van de door haar verzamelde gegevens, zonder inzage vooraf door
Van Goethem en zonder gelijktijdig weerwoord van Van Goethem, levert
naar het voorlopig oordeel van het hof geen onrechtmatig handelen van
De Limburger jegens Van Goethem op. Noch de primaire, noch de
subsidiaire vordering van Van Goethem komt dus voor toewijzing in
aanmerking.

7.9 Het hof komt tot de conclusie, dat alle grieven slagen en dat het
vonnis, waarvan beroep, niet in stand kan blijven.
Van Goethem zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld
in de kosten van de procedure in beide instanties.

8 De beslissing

Het gerechtshof:

Vernietigt het vonnis van de president van de rechtbank te Maastricht,
onder rolnr. 37023/KG ZA 98-50 op 27 januari 1998 gewezen tussen Van
Goethem als eiser en De Limburger, Vogelaar en Dohmen als gedaagden
en, opnieuw rechtdoende:
Wijst de vordering van Van Goethem af.
Veroordeelt Van Goethem in de kosten van de procedure,voor zover tot
op heden aan de zijde van De Limburger c.s. gevallen en begroot op
ƒ1.550- voor salaris procureur en ƒ345,- voor verschotten in eerste
aanleg, en op ƒ1.700,- voor salaris procureur en ƒ440,- voor verschotten
in hoger beroep.


Dit arrest is gewezen door mrs. Feith, De Groot-van Dijken en Meulenbroek,
en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 1999.


HANS MELCHERSFONDS | HERENGRACHT 320 | 1016 CE AMSTERDAM | INFO@HANSMELCHERSFONDS.COM | T +(31)85 - 888.08.89